Stokje

We zitten met z’n tweeën op de bank, mijn kleinzoon en ik. Hij hangt in mijn linker oksel tegen me aan. “Ik heb vannacht een nachtmerrie gehad” zegt hij. “Heb je gehuild?” vraagt ik belangstellend. Hij knikt, “maar het was maar een héél klein beetje.”

Zelf droom ik zelden. En als ik droom, dan weet ik daar de dag erna meestal niets meer van. Toevallig heb ik de afgelopen nacht wél gedroomd, dus leg ik mijn droom voor aan de deskundigheid van mijn kleinzoon. “Ik had een stokje en daar zat een touwtje omheen gedraaid", vertel ik. Hij kijkt me eens aan met een blik van: zo’n droom kan alleen hij hebben. “Hoe zag dat stokje er dan uit?” wil hij weten. “Dun, van hout met aan de bovenkant een half dwarspootje alsof het een letter T was waarvan een kantje van het dwars pootje is afgebroken.” Hij denkt even na maar dan knikt hij, hij ziet het voor zich. “Wat deed je met dat stokje?” “Ik probeerde het touwtje eraf te halen” zeg ik. “Lukte dat?” “Nou nee” zeg ik, “ik kreeg het er niet af.” “Wat was dat voor een touwtje?” “Nou gewoon, zo’n bruine van hennep.” "Maar, waar had jij dat touwtje dan voor nodig?”, vraagt hij door. Ik beken dat ik dat niet weet. “Het moest er gewoon af van die droom, maar waarom dat weet ik niet.” Hij laat het even bezinken. Dan: “Jij bent al oud hè opa?” Ik kan niet anders dan dat beamen. “Dan moet jij met dat stokje lopen. Als je het touwtje er af haalt, kan je het gebruiken als wandelstok voor opa’s”, concludeert hij.
Ik ben blij dat het mysterie van het stokje is opgelost. Het is stil, maar ik voel dat hij nog niet klaar is. Vanonder mijn linker oksel: “Jij bent écht oud hè.” “Dat klopt”, zeg ik. “Ga jij dan eerder dood dan ik?” vervolgt hij. In een flits denk ik: dat hoop ik wel. Maar ik zeg gewoon: “Ja zeker.” Er klinkt een opgeluchte zucht.

Tom van Bakel